Het plaatsen

Een spiraaltje wordt bij voorkeur binnen zeven dagen na het begin van de menstruatie geplaatst, omdat de baarmoedermond dan iets open staat. Je moet er dan zeker van zijn, dat je niet zwanger bent.

Als je net een kindje hebt gekregen, wordt een spiraaltje bij voorkeur rond twaalf weken na de bevalling geplaatst. Eerder kan ook maar op zijn vroegst zes weken na de bevalling.

Het inbrengen van een spiraaltje kan soms wat pijnlijk zijn. Daarom adviseren we om een uur van tevoren een pijnstiller te nemen. Dat kan een tablet of een zetpil zijn. Wat voor jou het meest geschikt is, hangt af van de vraag of je wél of geen borstvoeding geeft.

Na het plaatsen van een spiraaltje kun je je een beetje misselijk of draaierig voelen. Neem in zo’n geval extra rust.

De eerste maanden na het plaatsen van het spiraaltje kan vaginaal bloedverlies optreden, meestal onregelmatig en druppelsgewijs. Dit kan langere tijd aanhouden. Na drie tot zes maanden neemt dit verschijnsel af tot enkele dagen bloedverlies per maand.

Tijdens het vrijen voel je de draadjes van het spiraaltje meestal niet. Voel je ze toch en is dat een probleem voor je, neem dan contact op met de verloskundige. Die kan de draadjes inkorten.

Nacontrole

Zo’n zes weken na het plaatsen van het spiraaltje word je voor nacontrole bij de verloskundige terug verwacht om te zien of het spiraaltje nog goed op z’n plaats zit. Dit gebeurt door het maken van een echo.

Wanneer moet je de verloskundige raadplegen?
Als één van de hieronder genoemde verschijnselen zich voordoet, is het raadzaam contact met de verloskundige op te nemen:

  • als je denkt dat je zwanger bent
  • bij sterk of langdurig bloedverlies
  • bij aanhoudende pijn in de onderbuik, koorts of ongewone afscheiding
  • bij pijn tijdens het vrijen
  • als je het kunststofgedeelte van het spiraaltje kunt voelen
  • als je de draadjes van het spiraaltje niet meer kunt voelen